Herfst.
Door haar slaapkamerraam kijkt ze naar buiten. Vervuilde straatlantaarns verlichten de treurige boomtakken die al hun blad al hebben verloren. Haar hart krimpt bijna voelbaar van de eenzaamheid die er op drukt. Om haar heen kruipen mensen naar binnen, zwijmelen over ‘fijn weer de kaarsjes aan, warme choco en samen onder een knus dekentje’. Alsof de wereld uitkijkt naar het donker.
Zij ziet er tegenop, elk jaar een beetje meer sinds ze alleen is.
Ze mist het licht van een dag die wakker wordt tijdens haar ochtendwandelingen. De adembenemende zonsopgangen die haar moed inspreken.
Vanaf nu moet ze haar vroege ochtendrondje in het donker lopen, als de zon zich eenmaal laat zien zit zij al in dat hokje van drie bij drie. Zonder ramen, zonder daglicht.
Op de automatische piloot wast ze haar gezicht, trekt een broek en een warm vest aan en eet leunend tegen het aanrecht een boterham met kaas. Tien voor zes, ze is ruim op tijd, uitslapen kon ze als kind al niet.
Licht
Haar baan is niet iets waar ze een hekel aan heeft, maar ze gaat al jaren niet meer fluitend naar haar werk.
Na het tandenpoetsen pakt haar tas van de kapstok, stapt in haar wandelschoenen en draait de voordeur achter zich op slot. Bij de liftdeur staat haar nieuwe buurjongen te wachten.
‘Hi Noor, jij bent ook al zo lekker vroeg op pad. Heb je vanavond tijd voor koffie. Uurtje of acht? Het is hoog tijd dat ik mijn buren leer kennen’.
Ze knikt, overvallen door zijn voorstel. Binnen in haar buik ontwaakt er een huppeltje. Hij zwaait en stapt de lift in. Terwijl ze naar beneden loopt lijkt het alsof buiten de zon ineens begint te schijnen.
Een scène uit je nieuwe boek?