Eenvoud

Zoekend zie ik ze over de camping lopen. Elke kampeerplek meet hij minutieus uit. Ze staan sinds twee weken op de camping, hoor ik ze zeggen, maar nu moeten ze verkassen. Dat fijne plekje waar ze stonden was gereserveerd door een ander. Dus moest dat kampeermiddel bij een graadje of dertig worden verplaatst.

Ogenschijnlijk hebben ze hun halve huis meegesleept. Aan die caravan van een slordige zesenhalve meter zit nog een ruime voortent van een meter of drie vast. En daaraan zit nog een luifel van een paar meter (niet uitgemeten hoor, we hebben het gegokt, de liefste en ik) Het hele kampement was vooral veel en groot.

Verder staat er nog een koelkast, een vrieskist, een hond inclusief een meter of acht kippengaas om ervoor te zorgen dat de hond niet kan ontsnappen, een opblaasbare kano, een kleine droogmolen, twee elektrische fietsen en een flinke frituurpan op dat plekkie.

En jij denkt nu natuurlijk: en een stuk of acht kinderen. Nou nee, ze zijn met zijn tweetjes. Inclusief hond met zijn drietjes, kampeerplek volledig afgetopt. Vooropgesteld natuurlijk dat elke kampeerder dat heerlijk voor zichzelf moet weten, ik constateer alleen maar 🙂

De volgende ochtend loopt de vrouwelijke helft van het echtpaar naar de nieuw uitgekozen plek. Recht tegenover ons, we zitten vandaag eerste rang. Demonstratief wordt de droogmolen alvast neergezet. Triomfantelijk kijkt ze ernaar, die plek is officieel geconfisqueerd. Knappe nieuwkomer die hier nog zijn kampeermiddel neer durft te zetten terwijl zij op die andere plek aan het inpakken zijn. Ook de hond wordt op de nieuwe plek geparkeerd, als een soort garantie.

De hond blaft en jankt, urenlang, ontevreden met zijn nieuwe positie op die nieuwe plek. Het echtpaar staat driftig alles af te breken terwijl wij, tijdens onze ochtendkoffie, heerlijk van het zonnetje zitten te genieten. Uur na uur ruimen ze op, wordt er meewarig naar elkaar gezucht en worden er spullen naar de nieuwe plek gesleept. En die plek wordt voller en voller. Wij hebben onderwijl onze boodschappen gedaan, hebben in de rivier gezwommen en relaxen op het heetst van de dag in de schaduw met een goed boek.

We aanschouwen hoe de caravan meermaals van zijn plek wordt gereden, tot de meest ideale positie. Hevige discussies worden afgeblust met cola light, en langzaam maar zeker wordt alles weer opgebouwd. Respect met die hitte. Uiteindelijk staat de caravan op zijn plek, inclusief voortent. De luifel, die deels over de voortent heen staat, is ook geïnstalleerd en het kippengaas is weer vastgemaakt. De hond mag eindelijk los na een lange dag janken. De frituurpan gaat aan en zware walmen frituurlucht dwalen over de camping.

Schijnwerper

Rond een uur of half elf besluiten we ons bed op te zoeken, de liefste en ik. Wij kamperen met een camperbusje, een rijdend bed, meer is het eigenlijk niet. Voor de schuifdeur hangt een grote hor om muggen buiten te houden, en het zorgt er tevens voor dat we gevoelsmatig buiten slapen. Met vers gepoetste tanden kruipen we in ons bed. Ik knip onze nachtlampjes uit, geef de liefste een nachtzoen en ga heerlijk op mijn zij liggen. Knus zak in langzaam in een roesje, lekker.

Nog geen vijf minuten later krijg ik het gevoel alsof ik in een helverlicht stadion ben beland. Of er land een ruimteschip op de camping, ik twijfel even 🙂 Verward draai ik me naar de liefste, die net als ik verstoord kijkt door het enorme licht dat er opeens schijnt. Zou er een moord zijn gepleegd zonder dat we het weten, en wordt de plaats delict met bouwlampen afgezet as we speak? De mogelijkheden zijn eindeloos.

Als ik door de hor naar buiten kijk schiet ik in de lach, ondanks mijn irritatie. Het net verhuisde echtpaar recht tegenover ons heeft een lichtbalk aan de caravan, met helwit led licht, en die is net aangegaan. Alsof hun kampeerplek in de schijnwerpers staat, zoveel licht geeft het. De sterren aan de hemel leggen het af, die zien we helaas niet meer.

Waarom die enorme schijnwerper? wij hebben serieus geen idee. Het echtpaar zien we pas de volgende ochtend weer, als ze uit de caravan stappen, waarschijnlijk volkomen onwetend van die enorme lamp aan hun caravan. Wij hebben echter een hele nacht verwoede pogingen gedaan om in slaap te vallen. Met een schijnwerper op je gezicht slapen is een uitdaging ‘an sich’. Die ochtend besluiten wij dat het ook voor ons tijd wordt om te verkassen. Weg van de bouwlampen, op naar een andere kampeerplek. Voor even telt onze nachtrust zwaarder dan die lading gratis vermaak.

Spannend

Ik verlang naar mijn bed, het loopt al tegen elven en mijn avonddienst zit er bijna op. Het voelt extra koud buiten, zo vanuit mijn warme autootje. Huiverend trek ik mijn jas wat dichter om me heen. De laatste cliënt van de avond is tevens een nieuwe, en zo’n eerste bezoek kost altijd wat meer tijd. Ook de cliënt moet eraan wennen, aan zorgmedewerkers die ineens over de vloer komen, vaak op verschillende tijdstippen. Allemaal vreemde gezichten die ineens vanuit het niets je leven instappen. Een stukje zorg accepteren vergt aanpassing en dat gaat niet iedereen altijd even goed af.

Ik stap een donkere steeg in, volgens google maps moet het adres hier ergens zijn. De steeg is slecht verlicht en er zijn geen woonhuizen in deze buurt. Langzaam loop ik verder de steeg in. Het is stil om me heen, ik hoor alleen het gekraak van takjes onder mijn schoenen, ik voel de spanning in mijn lijf.

Hoe verder ik loop, hoe meer het lijkt alsof de steeg zich achter me sluit, hier dringt geen glimpje licht meer door. ‘Schijterd’ mopper ik op mezelf, mijn enorme fantasie speelt me weer eens parten, elke horrorfilm die ik ooit heb gezien komt inmiddels in mijn gedachten voorbij. Die donkere steeg is me veel te guur en ik voel me een muts. Ik check nogmaals de gegevens, door het licht van mijn mobiel lijkt alles ineens nog donkerder, griezeliger. Alle hoekjes en bochtjes in de steeg krijgen ineens extra schaduwen. Ik spreek mezelf stevig toe en loop nog verder de steeg in. Jemig wat een donkere, afgelegen rot plek is dit. 

Op het moment dat ik de steeg bijna door ben, wijkt de rechtermuur ineens uit en zie ik een deur. Paardenkliniek staat erop. Shit, toch niet goed gelopen, hoe kan dat nou. Tegen beter weten in druk ik op de bel, ik ben wel op vreemdere plekken geweest tenslotte. Na een paar tellen gaat er een lampje aan.

Donkere steeg

De voordeur gaat open en een vriendelijk gezicht kijkt om de hoek. ‘Thuiszorg’ vraagt hij? Ik knik en glimlachend stel ik me voor, ik loop achter meneer aan, een heel smal gangetje door. En terwijl ik weer een deur doorloop sta ik even stil, stil van verbazing. In de kamer voor mij staan van boven tot onder en van links naar rechts stapels met cd’s. Honderden, duizenden. Voorzichtig manoeuvreer ik me met jas en tas tussen al die hoge stapels met cd’s door, biddend dat ik niks om gooi. Vervolgens verder en een steile trap op naar boven. Ik moet bukken want ik ben duidelijk te lang voor dit smalle lage huis.

Boven gekomen staan we in een eenvoudig minihuisje, en meneer verteld dat hij hier al heel lang woont, zo heel erg achteraf. Hij vult zijn dagen met het verkopen en versturen van cd’s over de hele wereld, als bijverdienste. Zo blijft hij bezig want hij heeft verder niemand meer, geen familie, geen vrienden. Het voelt treurig en eenzaam.

We praten een poosje, en ondertussen verleen ik de zorg waar ik voor gekomen ben. ‘Kom je morgen weer, vraagt hij, het was best fijn om even wat te praten, ik praat zo zelden met andere mensen’. ‘Maandag, stel ik hem gerust, maandag ziet u mij weer’. Grijnzend schuifel ik weer terug langs al die stapels cd’s. Dit soort bijzondere ervaringen, ik ben er gewoonweg dol op. Ik slaak een opgeluchte zucht als ik bij de voordeur ben beland, niks omgegooid, pfoe mazzeltje. Met een zwaai neem ik afscheid en loop die verfoeide steeg weer door, die ineens veel minder eng lijkt. Thuiszorg, het is van alles maar nooit saai.

Van heel veel mooie verhalen uit de zorg maakte ik een bundel.

https://www.uitjeervaring.nl/zorgliefde.html

Echt menselijk contact

Met een hartelijke glimlach trekt ze de voordeur open. Bruine ogen, warme blik. ‘Waakzorg’ vraagt ze? Ik knik en stel me voor. ‘Kom binnen, fijn dat je er bent’.
Ik stap de hal in, hang mijn jas op en stap achter haar aan de kamer binnen. Het huis is knus en oud. Lage plafonds, oude deuren, en prachtig glas in lood. Ik sta in een ouderwetse huiskamer en suite, de schuifdeuren staan halfopen en ik zie een deel van een hoog-laagbed staan.

Ze stelt haar zusje aan me voor, en gezamenlijk lopen we naar het achterste deel van de kamer. Met zijn ogen dicht ligt hij op bed, en rustig loop ik dichterbij. Zijn ogen gaan open, en hij kijkt me onderzoekend aan. ‘Goedenavond, ik ben Cynthia’ zeg ik’ ik houd u vannacht gezelschap, zodat uw dochters wat kunnen slapen’.

Hij is stervende, en doodgaan wil hij het allerliefste in zijn eigen huis. Zijn twee dochters zijn doorlopend bij hun vader, maar de laatste dagen gaat hij hard achteruit. Ze willen hem niet meer alleen laten, maar hebben wel wat slaap nodig, om de rest van de dag het zorgen vol te kunnen houden. En daarom ben ik er, om tijdens de nacht voor hem te zorgen. Het is waardevol vind ik, die waakzorg, zodat iemand thuis kan sterven. We maken verder kennis en praten wat, ze wijzen me waar ik alles kan vinden, en gaan naar bed.

Ik pak een stoel, en ga naast meneer zitten. Hij verteld over zijn vrouw die hij al zolang moet missen. Over zijn meiden, over zijn kleinkinderen, en over de historie van het huis. Het zijn warme, dierbare verhalen. We kunnen het goed vinden, hij en ik. Na een poosje wordt het stil, en is hij in een onrustige slaap gevallen. De rest van de nacht verloopt rustig, af en toe praten we wat, drinkt hij wat. ‘Hij is niet bang’ zegt hij ‘om het leven los te laten want het is zo’n prachtig leven geweest’.

Waakzorg

Het is guur weer die vierde nacht, ik heb op mijn fiets de wind vol tegen. Met verwaaide haren sta ik voor de deur. Zijn dochter doet open, en haar blik oogt bezorgd. ‘Het gaat zo snel’ zegt ze ernstig. Samen lopen we naar haar vader, stil ligt hij in bed, kalm en vredig. Hij glimlacht naar me.’ Fijn dat je er bent meisje’. Zijn dochters lopen naar de keuken en zetten koffie. Ik vraag of hij verzorgt wil worden, opgefrist. Hij schudt zijn hoofd. ’Kom maar gewoon even zitten, op je vaste plek’.

Het duurt niet lang meer, ik zie het, die laatste nacht blijven we gezamenlijk bij hem zitten. In de daaropvolgende uren zien we het leven zijn lichaam verlaten, zacht en rustig. Ze huilen, met de armen om elkaar heen. ’Dag pap, we houden zoveel van je’.
Ik regel wat ik regelen kan, zet thee, geef ruimte om te rouwen. Er worden talloze telefoontjes gepleegd, de schouwarts wordt gebeld, en familie op de hoogte gesteld.

Het is half drie inmiddels, en de wereld slaapt. Ze halen herinneringen op, zijn dochters. Een fles witte wijn wordt ontkurkt, ze knuffelen mij en schenken ook voor mij een slok in een glas. Samen met mij willen ze proosten, op zijn leven. ‘Hij heeft op je gewacht’ zeggen ze’ hij wilde ook jou nog even gedag zeggen. Dank je wel, dat je er was, voor ons, voor hem. Ondanks ons verdriet, waren deze laatste dagen prachtig en dierbaar, ook dankzij jou’. Het verwarmd me, deze prachtige woorden. Dit maakt waakzorg zo prachtig, het is pure rijkdom.

Ik zit op mijn fiets, het is half vier inmiddels, en de straten zijn stil en verlaten. Langzaam fiets ik richting mijn warme bed, en fijn naar mijn eigen gezin. Ik heb de wind in mijn rug, en trappen hoeft bijna niet. Ik denk nog even aan de laatste dagen, en hoe mooi het contact was. De warmte van de ontmoeting blijft, en zo ook de herinneringen. Het maakt me elke keer weer een beetje rijker. Echt menselijk contact is onbetaalbaar.

Heel veel van mijn ervaringen zijn een boek geworden en ik ben er razend trots op.

Diep respect

Ik ben net twintig als ik ga werken in een revalidatiecentrum. En ik neem mijn pet af voor iedereen die daar revalideert. Er is zoveel verdriet en machteloosheid, alles maakt diepe indruk op mij. De revalidanten tonen me hun moed, wilskracht en levensvreugde, ik ben er compleet van ondersteboven.

Na die eerste dag fiets ik naar huis, met een hoofd gevuld met de onuitwisbare indrukken van die eerste werkdag.

Op ’mijn’ afdeling revalideren voornamelijk jonge mensen en dat zorgt voor heftige gesprekken, prachtige contacten en geregeld de slappe lach. Dat ook. Kracht en humor, kwetsbaarheid en veerkracht. En veel soorten muziek, snoeihard door elkaar heen 🙂

Op maandagochtend arriveert er een nieuwe opname, een jonge vrouw die een aantal weken ervoor is bevallen van een prachtig mooi meisje. Gedurende die bevalling werd ze getroffen door een hersenbloeding. Tijdens zo’n levens veranderend moment als moeder worden, werd zij ook nog eens gehandicapt. Ik kan me op geen enkele wijze voorstellen hoe zij zich moet voelen. Ze is halfzijdig verlamd, en heeft daarnaast ook een forse afasie. Vertellen hoe zij zich voelt, is ineens moeilijk. geworden

Bij ons gaat ze leren om voor haar kindje te zorgen. En als ik iemand heb zien vechten, dan is zij het wel. Elke keer weer vind ze de moed en de kracht om door te zetten, ondanks tegenslagen en frustraties. Mijn bewondering voor haar wilskracht groeit met de dag.

Revalideren

En wonderbaarlijk genoeg lijkt dat kleine poppetje haar moeder haarfijn aan te voelen. Ze ligt vaak rustig op bed te wachten, tot haar mama haar verschoond. Met behulp van één hand, in plaats van met twee. Verbazingwekkend en zo mooi.

Na een lange revalidatieperiode gaat ze stralend naar huis met haar man en dochter, ik zwaai ze uit.

Jaren later word ik zelf moeder, op een dag ga ik met mijn kleintje naar babyzwemmen. Heerlijk dobberen we samen in het warme water van het ondiepe bad. Er komt een vrouw aanlopen met een stok, en ik herken haar direct. Ik heb een ijzersterk geheugen voor gezichten, en dit gezicht staat in mijn geheugen gegrift. Naast haar huppelt een klein meisje dat af mag zwemmen.

Ik heb de afgelopen jaren vaak aan haar gedacht, en mezelf even zo vaak afgevraagd hoe het met haar is afgelopen. Stralend loopt ze voorzichtig met haar dochter naar het grote bad. Vanaf de stoel waarop ze zit moedigt ze haar dochter aan, in haar eigen woorden. Die kleine meid kent haar mama niet anders, en geniet van haar moeders aanwezigheid bij de zwembadrand.

Zoute tranen rollen het warme water in terwijl ik daar met mijn eigen roze wolk mee zit te genieten.

Ode aan Bart

Ik ben 17 jaar en een beetje als ik start met een in-service opleiding. Groen als gras, ik heb nog maar weinig gezien van oprecht leed. De mensen in mijn klas variëren in leeftijd, de oudste is rond de 23, de jongste is net als ik 17. Bart is iets ouder dan mij. Hij heeft een bos wilde bruine krullen, een borstelsnor en vriendelijke ogen.

We vullen alle gaten in de roosters en worden constant rond gecommandeerd. Het deert ons niet, we werken, feesten, studeren en genieten. Tweeënhalf jaar later waaieren we allemaal ons eigen pad op. Onbevangen en zorgeloos lacht het leven ons toe.

Dertien jaar later werk ik in de terminale thuiszorg, alleen maar nachten. Prachtig en zwaar. Na het overlijden van een oom van mij, op een veel te jonge leeftijd, besluit ik dat ik die specifieke zorg wil verlenen. Onze kindjes zitten inmiddels op school, ik slaap als zij in de klas zitten en werk als zij slapen.

Op een gewone maandagmiddag krijg ik het adres binnen waar ik die nacht moet waken en de naam is mij welbekend. Ik slik het brok in mijn keel weg en vraag mijn collega of ze even bij deze mensen wil aangeven dat ik vanavond kom. En of dat oké is. Ze belooft het te vragen en ik hang op. Ik voel de spanning in mijn lijf. Vind ik het wel oké, denk ik bij mezelf, kan ik het aan? Wederom gaat de telefoon, het is goed dat ik kom, fijn zelfs. De rest van de dag ben ik onrustig.

Om half elf ’s avonds stap ik in de auto en rijd naar het opgegeven adres. Zijn vrouw doet open.

’Kom binnen, zegt ze vriendelijk, jij bent vast Cynthia. Fijn dat je er bent, dat jij het bent’.

Samen lopen we de woonkamer in. Hij ligt op een bed in de kamer. Hij is iets ouder, zijn snor is eraf en zijn krullen zijn verdwenen. Maar zijn vriendelijke ogen herken ik meteen. Lieve Bart. Ik ga naast hem op bed zitten en we grijnzen een tikje ongemakkelijk naar elkaar.

‘Jemig Bart, zeg ik, wat overkomt je allemaal’.

En hij vertelt, met horten en stoten, over zijn hersentumor, over alle behandelingen, dat het even leek te helpen maar dat ze de hoop op hebben moeten geven. Ik moet goed luisteren want het praten gaat moeizaam en kost hem veel energie. We halen herinneringen op, ik praat het meest. Bart grijnst om al mijn verhalen, hij geniet.

‘Ik vind het fijn dat je er bent’, zegt hij,’ dat jij het bent. Het is fijn om een bekend gezicht aan mijn bed te hebben’.

Hij wijst naar een fotoboek en samen bladeren we het door. Het boek staat vol prachtige foto’s van Bart met zijn lieve vrouw en hun kindje van twee. Zo blijft hun gezin voor altijd bestaan, op die mooie plaatjes. Ik verzorg hem en leg hem comfortabel in de kussens. Ik luister naar zijn ademhaling als hij even slaapt. Al mijn menselijkheid en warmte stop ik in de zorg voor hem, en nog een beetje meer.

Niet lang daarna overlijdt hij, overdag, thuis bij zijn gezin. En stiekem ben ik opgelucht dat ik er niet bij was, op dat ene moment, ook al voelt het dubbel. Want ik had er ook voor ze willen zijn, voor zij samen, in dat onmogelijke moment van afscheid nemen. Ik koester de herinneringen en speciaal voor hem schrijf ik ze nu op.

Dag lieve Bart, ik zal je nooit vergeten.