Warm en enigszins buiten adem fiets ik de oprit van het huis van mijn volgende cliënt op. Ik werk die avond als invalkracht in de thuiszorg. Rondrijden in een voor mij onbekend dorp is spannend, onhandig omdat ik adressen moet zoeken maar vaak ook verrassend leuk.
Bij het huis waar ik voor sta staat het onkruid kontjes-hoog, het verval is aan de buitenkant duidelijk zichtbaar. De ramen van dit huis zijn in geen jaren meer gelapt en de verf bladdert van de kozijnen. Ik zet mijn fiets op slot achter de bomenrij, draai me om en blijf even staan.
Meerkleurig glas-in-lood siert de ramen boven de halfronde voordeur en de erkerramen, naast de voordeur zijn de tegeltjes geëmailleerd en het opstapje bij de voordeur is volledig in stijl. In nieuwstaat moet het huis overweldigend mooi zijn geweest en ondanks de ogenschijnlijke verwaarlozing kan je dat nog heel goed zien.
Ik stap over de drempel en schuifel voorzichtig door de hal. Tegen de muren staan kartonnen dozen hoog opgestapeld tot het plafond, allemaal gevuld met kranten en troep. De doorgang is nauw en de stank is overweldigend. Het voelt claustrofobisch, voorzichtig adem ik door mijn mond. De vroegere voorkamer staat helemaal vol met precies hetzelfde, doos op doos op doos. De hoeveelheid verzamelde troep is overweldigend. Ik zie nog net de prachtige ornamenten van het plafond, treurig en afgebladderd wachten ze tot iemand ze weer in hun oude glorie hersteld.
Aan mijn linkerhand ligt op elke hardhouten traptree rotzooi, opgestapeld langs het prachtige elegant bewerkte hout van de trapleuning tot aan de buitenmuur. Het oogt als een opstapeling van intens verdriet. Voorzichtig schuifel ik verder door naar de achterkamer.
Verwaarlozing
Ineengedoken zit ze op een stoel, de oude dame die hier woont. In het huis waar ze met haar geliefde na haar trouwdag is gaan wonen en waar ze haar kinderen heeft grootgebracht. Op deze plek wil ze sterven, omringd door haar herinneringen. Net als haar huis is ook zij slachtoffer van langdurige verwaarlozing. Het stemt me intens verdrietig.
Ik kan de ramen nog net zien en ondanks de dikke laag vuil, laat het nog wat daglicht binnen. De dozen staan in deze ruimte minder hoog opgestapeld, het voelt hier minder claustrofobisch. De huisarts heeft gezorgd voor wat ruimte, zodat de thuiszorg haar werk kan doen. Ik ga op mijn knieën voor haar zitten, vraag hoe het met haar gaat en of ik haar mag verzorgen. We praten wat, zij en ik. Die verzameling dozen is voor haar de normaalste zaak van de wereld, het is haar leven. Vasthouden aan alles wat ze niet kan loslaten.
‘Een overweldigende hoeveelheid onverwerkt verdriet heeft de verzamelwoede aangewakkerd’, had de huisarts tegen me gezegd. Babbelend over niks verzorg ik haar wond en zwachtel ik haar been. Het is een wonder dat deze oude dame zich nog zolang heeft kunnen redden, dat haar conditie niet nog veel slechter is. Haar gebrek aan hygiëne is pijnlijk om te zien. Met een zwaar gemoed neem ik afscheid. Ik zou zo graag veel meer voor haar willen doen maar dat is minder eenvoudig dan je zou denken. Daar gaat een heel traject aan vooraf.
Eenmaal buiten blijkt het pijpenstelen te regenen en berustend laat ik het water over me heen spoelen. Het geeft precies weer hoe ik me voel na dit bezoek.

